Christelijke eindtijd beleving in het licht van het oude Hebreeuwse denken.

Drs. Charles L. van den Berg

Logos Bijbelstudies

 

Sinds de terugkeer van de Joden naar Israel is er onder christenen een nieuw bewustzijn gegroeid met betrekking tot de oorsponkelijke context waarin de Schriften ontstaan zijn: Israel en Jodendom.

Het grote belang van het Hebreeuws denken om de Schriften goed te kunnen verstaan dringt sinds die tijd bij steeds meer christenen verder door. De kerkvaders die tussen ongeveer 200 tot 500 na Christus de fundamenten van de christelijke theologie legden, orienteerden zich – vaak gedreven door een anti-Joodse instelling – op de Griekse filosofie met filosofen als Plato, Aristoteles en Pythagoras, en maakten de Bijbel en haar overdenking los van de context waar zij thuis hoort: Israel en zijn geschiedenis.

Het mag ons niet verbazen dat hierdoor binnen de Christelijke theologie van een flink aantal waarheden uit Gods Woord op zijn minst een vertekend beeld is ontstaan. Ook de vervangingstheologie - die leert dat de Kerk in plaats van Israël is gekomen - heeft op veel terreinen van het christelijk denken zijn invloed gehad en zijn sporen nagelaten en niet op zijn minst in het eindtijdenken.

 Velen onder ons proberen zich nu het Hebreeuws denken eigen te maken om tot een beter en dieper begrip te komen van Gods Woord. Maar hoe zit het met ons denken als wij het over tijd en heel in het speciaal als wij het over de eindtijd hebben? In hoeverre komen onze eindtijdtheorien en eindtijdspeculaties voort uit Hebreeuws denken of voort uit Grieks denken?

 

Hebreeuws denken, maar Grieks schrijven.

Er zijn stemmen die zeggen dat er niets mis is met Grieks denken, immers het Nieuwe Testament is in het Grieks geschreven. Aan de andere kant zijn er gelovigen die die wel degelijk het Joodse karakter en het Hebreeuwse denken van de Nieuwtestamentische schrijvers onderkennen, maar dan tot de conslusie denken te moeten komen dat ons Griekse Nieuwe Testament een vertaling moet zijn van een Hebreeuws oorspronkelijk. Vooral omdat er heel wat hebraismen (woorden en uitdrukkingen die zijn overgenomen uit het Hebreeuws) in dat Griekse Nieuwe Testament voorkomen. Een dergelijk Hebreeuws oorsponkelijk is overigens nooit gevonden. Daarnaast is er een veel aannemelijker verklaring voor de hebraismen in het Nieuwe Testament. Laten we eerst eens – ter vergelijking – kijken naar wat een Nederlander doet wanneer hij in de de Nederlandse taal schrijft. Wist je dat hij Grieks denkt, maar Nederlands schrijft? Misschien ben je nu verbaasd, maar ik leg het je uit. Het denken in het westen - dus ook hier in Nederland - vind zijn oorsprong in de oude Griekse filosofie dat bijna heel het Westerse denken is gaan overheersen. We zijn intellectueel ingesteld, we analyseren, en redeneren op een wijze zoals de Grieken dat deden. Van daaruit is onze wiskunde gekomen, van daaruit onze wetenschappelijke en intellectuele instelling en ook Gods Woord moet soms bijna 1 plus 1 is 2 zijn willen we het geloven. De uitdrukking “denken met je hart” zal sommigen onder ons zelfs heel vreemd overkomen en kenmerkt dan het feit hoe intellectueel we ingesteld zijn geraakt. Het is een wijze van denken welke voortgekomen is uit de Grieks- Hellenistische cultuur, waar onze cultuur het kind of -met een klinkslag gezegd-  misschien wel het stiefkind van is geworden. Wij denken dus Grieks, maar wij spreken en schrijven Nederlands.

Op dezelfde manier dachten de Nieuwtestamentische schrijvers Hebreeuws -want het waren kinderen van hun Joodse cultuur-  maar zij schreven in het Koine Grieks. Omdat de Nieuwtestamentische schrijvers Hebreeuws dachten, maar in het Grieks schreven, net zoals wij Grieks denken maar in het Nederlands schrijven, kunnen we het Koine Grieks zoals het in Nieuwe Testament voorkomt beter aanduiden als “Judeo Koine Grieks”. Dit om om het te onderscheiden van het Koine Grieks zoals dat in de niet-Joodse cultuur werd gebruikt en waar deze hebraismen niet gevonden worden. Dat er in het Hebreeuws gedacht werd, maar in het Grieks werd geschreven is dus de oorzaak van de hebraismen in het Nieuwe Testament. Om daaruit te concuderen dat het Nieuwe Testament zoals wij het kennen een vertaling zou zijn van een oorsponkelijk Hebreeuws manuscript is een conclusie die duidelijk te ver zou gaan, omdat er een meer verklaarbare reden voor is. Bovendien is er nooit een Hebreeuws oospronkelijk gevonden en zou God ons slechts een vertaling hebben overgeleverd, die dan van niet meer waarde zou zijn dan een vertaling tussen vertalingen met al hun verschillen erbij.

 

Hebreeuws en Grieks denken bij het lezen en interpreteren van de Bijbel.

Een van de belangrijkste verschillen tussen de Jood en de Christen bij de bestudering en interpretatie van de Bijbel is wel dat de Joden Gods Woord op de eerste plaats bestuderen en overdenken met de bedoeling er aanwijzingen in te vinden die zij kunnen uitleven in het concrete leven. Daarbij wordt er onderling eigenlijk wel veel over gediscusseerd, maar niet om over dit of dat gelijk te hebben, maar eerder om de zaak van verschillende kanten te bekijken en er daardoor bij te leren.

De christelijke denker echter die zich kenmerkt door Grieks analytisch en abstract denken wil eerst alles kunnen verklaren en zal het op de eerste plaats vastleggen in christelijke doctrine. Het belangrijkste wordt dan vastgelegd in een flink aantal geloofsbelijdenissen – iets wat het Jodendom niet kent - , en pas daarna komt de ethiek van het concrete leven aan de beurt.

De christen maakt zich herkenbaar met zijn geloofsbelijdenis heeft zijn formule en meet daarmee de andere gelovige aan zichzelf af. De Jood maakt zijn anders geloven aan de andere Jood kenbaar door zich op een bepaalde manier anders te gedragen in het (religieuze) leven.

In het Hebreeuwse denken is Gods Naam de aanduiding van zijn WEZEN en de Jood zal proberen de eigenschappen van Zijn wezen te begrijpen. In het Grieks-Christelijk denken zal men zich eerder bezig houden met de formulering van zijn Naam, of we deze moet schrijven of uitspreken als Jahweh of Jehovah.

 

Hoe uiten deze twee verschillende wijzen van denken over Gods Woord zich nu als het om dingen als tijd en in het bijzonder als het om de eindtijd gaat?

Om daar wat meer zicht op te krijgen kijken we eerst naar twee Hebreeuwse woorden voor eeuwigheid. Het eerste is `olam´. Olam is “het verborgene”. Als iets ‘olam´is dan is het voor ons niet waarneembaar. Niet in het verleden, niet nu, niet in de toekomst. ‘Olam ‘ behoort tot de andere wereld over de drempel, de onzichtbare wereld, de wereld die de bron is van alles en zich tegelijkertijd aan het zichtbare onttrekt. Je bezit het in geloof, in vertrouwen en de zekerheid van het bestaan daarvan. De uitspraak `Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet`(Heb 11:1) is dan ook typisch een uitdrukking van Hebreeuws denken en Joods ervaren van Gods werkelijkheid.

Het tweede Hebreeuws woord is “ad’ en is een aanduiding van de onbegrensde tijdsruimte “ waar God aan het einde hetzelfde is als aan het begin. Waar aan het einde allles weer terugkeert in zijn oorsprong. De tijd verloopt dus cyclisch.

In het Grieks komen we het woord ‘aion’ tegen wat ‘tijdsruimte ‘ betekent en in zijn meervoudsvorm verwijst het naar “een eindeloze reeks tijdsruimten, waar de ene ruimte lineair volgt op de andere ruimte.

In het Griekse denken reizen we dan ook door de tijd van het begin naar het einde en de eeuwigheid stellen we ons dan niet voor als een terugkeren naar de oorsprong van waaruit verleden, heden en toekomst zijn uitgetreden, maar als een eindeloze voortzetting van een tijdruimte.

Er is nog een ander aspect waarin de Jood anders naar de tijd kijkt: voor de Jood ligt het verleden vóór hem en de toekomst àchter hem.

Ik begrijp dat dit voor de meesten heel vreemd zal klinken. Hoe maak ik dat duidelijk? Misschien doe ik dat het beste door te zeggen dat de Jood een “ruimtelijke voorstelling van de tijd heeft”. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat je kunt zien wat in de ruimte voor je ligt en dat je niet kunt zien wat in de ruimte achter je ligt.

Wel, wat in het verleden is gebeurd is bekend en dat kun je dus zien, zoals dingen die voor je liggen.

En wat in de toekomst ligt is nog niet bekend en dat kun je dus niet zien, zoals dingen die achter je liggen.

Voor een Jood ligt de toekomst die je nog niet kunt zien achter hem en dat wat vanuit het verleden bekend is geworden ligt voor hem.

In de Griekse tijdsbeleving reist men dus door de tijd waar je als het ware in zit, terwijl in het Hebreeuwse denken de tijd vanaf een afstand wordt geobserveerd als of het in de ruimte voor je of achter je ligt.

Deze verschillen in tijdsbeleving hebben verstrekkende gevolgen voor hoe men uitkijkt naar dingen die God van te voren heeft beloofd in de toekomst te zullen doen.

Een Jood kijkt in verwachting voor zich uit tot wat wat God beloofd heeft voor zijn ogen verschijnt. En dat wat voor zijn ogen verschijnt, beoordeelt en toetst hij daarna aan wat God er in Zijn belofte over gezegd heeft om te bezien of het echt het door God beloofde is.

Deze manier van naar de tijd kijken alsof het iets in de ruimte voor je ligt komt ook duidelijk tot uiting in de Hebreeuwse woorden voor gisteren en morgen. Het woord voor gisteren (verleden) is TEMOL. Het is afgeleid van de stam MOEL dat “vooraan of aan de voorkant” betekent, “dat wat voor ligt’

Het woord voor morgen (toekomst) is het woord MACHÉR en is afgeleid van de stam ACHÈR dat “achter of achteraan” betekent, “dat wat achter je ligt en je niet kunt zien.”

Terwijl de Hebreeuwse denker de tijd en wat zich erin afspeelt dus observeert en waarneemt als ware het een ruimtelijk object, reist de Griekse denker door de tijd van het begin naar het einde.

De Hebreeuwse denker vertrouwt en verwacht dat wat God heeft beloofd op een gegeven moment vóór hem zal verschijnen. En u begrijpt dat voor deze manier van kijken naar de tijd ‘voortdurende waakzaamheid’ nodig is.

De Griekse denker echter rekent graag door de tijd heen van het verleden naar de toekomst en neigt er naar zijn zekerheid te verkrijgen door aangekondigde dingen te voorspellen op de manier van “ wanneer dat is geweest, dan komt dat en daarna komt dat”. Het liefst geeft hij daarbij alles wat God in het verleden gedaan heeft en alles wat God belooft heeft in de toekomst te zullen doen weer in een reeks van jaartallen, maanden en dagen geordend op een tijdbalk.

Veel eindtijdtheorie die vanuit een dergelijk Grieks denken is geboren leidt bij het opnieuw verkennen van Hebreeuwse begrippen en waarden uit het Bijbels Jodendom tot dingen als in het zoveelste sabbatjaar zal dat gebeuren en in het zoveelste jubeljaar zal dat gebeuren. Terwijl de Jood bij het sabbatsjaar en het jubeljaar op de eerste plaats zal denken aan wat God van hem vraagt in het sabbatsjaar: het land rust geven en wat God van hem vraagt in het jubeljaar, zoals de slavenarbeider vrijlaten.

Dat betekent niet dat er in het Hebreeuws denken geen plaats is voor het tellen van jaren of dagen, maar op de eerste plaats zijn deze om te weten wanneer hij het land rust moet geven of wanneer hij de slavenarbeider moet vrij laten.

Voor het uitkijken naar de beloften van God leeft de Jood “ verwachtende”, “uitziende naar” tot het vanuit de onbekende toekomst dat achter hem ligt verschijnt en wordt tot een voltrokken feit dat voor hem ligt. Daarna zal hij wat voor hem ligt gaan beoordelen. De Messias zou uit Betlehem komen, de Messias zou uit Juda komen en een zoon van David zijn. De Messias zou vrede brengen en de Messias zou het koninkrijk herstellen. Dat waren de “tekenen van de tijd”, de tekenen van de tijd waar God op doelde.

Dat daarbij ook vergissingen gemaakt kunnen worden heeft de tijd ons geleerd. Het grote voorbeeld daarvan is Yeshua/Jezus. Uit de Schriften was terecht begrepen dat de Messias “vrede” zou brengen en dat zal Hij uiteindelijk ook doen. Maar de mis-beoordeling was dat men niet in de gaten had dat de Messias eerst door lijden heen moest gaan en eerst sterven moest. Om die reden herkenden zij het teken van Jona niet. De meeste Joden die vandaag de dag Yeshua als hun Messias herkennen en erkennen doen dat dan ook op grond van Matheus 1, het geslachtregister waaruit blijkt dat Jezus een Jood is uit de lijn Abraham- David en op grond van Jesaja 53 waar Messias Yeshua beschreven wordt in zijn lijdende fase.

Zoals de Hebreer anders denkt over tijd, zo doet hij dat ook over tijdperioden. Veertig jaar, ook als zal die zich concreet voltrekken, is in het denken en beleven op de eerste plaats een periode van beproeving en duizend jaar, ook al zal deze zich concreet voltrekken, is in het denken en beleven op de eerste plaats een verwijzing naar dat wat geen einde kent.

De Grieks denkende gelovige zal uit de maten van de tabernakel graag allerlei tijdsperioden extraheren, terwijl de ingang van de tabernakel die 5 bij 20 el is in het Hebreeuwse denken op de eerste plaats duidt op het feit dat God in genade (5 ) het onmogelijke (5 x 20 = 100 ) mogelijk maakt. En de inhoud van het heilige der heiligen bevat al helemaal geen verborgen getallen om de voltrekking van gebeurtenissen die in profetie zijn aangegeven in de tijd te kunnen berekenen. Het heilige der heiligen slaat op Gods wereld en als de inhoud wordt aangegeven als 20 x 20 x 20 el (= 8000 el aan inhoud), dan duidt dat op Gods oneindige wereld (1000) die in en door de Messias ( 8 ) voor ons toegankelijk is gemaakt.

De Griekse denker brengt graag de hele heilsgeschiedenis vanaf de Schepping tot aan de Nieuwe hemel en aarde als een lange reeks jaren in beeld, doorgaans van 0 tot met 6000, waarna de 1000 jaar van het Messiaanse rijk aanbreekt en we met zijn allen na het jaar 7000 de nieuwe eeuwige wereld van God in gaan.

Toch gaat God in zijn Woord heel anders met tijdsvermeldingen om, nergens spreekt Hij over het zoveelste jaar na de Schepping.

De geboorte van iemand wordt aangeduid met de leeftijd van zijn vader op dat moment. Zijn sterven wordt geduid met het aantal jaren dat hij geleefd heeft. Een gebeurtenis wordt geduid met het zoveelste jaar van koning die en die. Als er een nieuwe periode aanbreekt voor de mensheid of Gods volk begint God vanaf het begin op nieuw te tellen. Sem verwekte Arpaksad twee jaar na de vloed (Gen 11:10). Toen God zijn volk uit Egypte leidde, zei Hij: Deze maand zal u het begin der maanden zijn, zij zal u de eerste der maanden van het jaar zijn (Exodus 12:2).

Het eerste sabbatjaar en het eerste jubeljaar worden berekend vanaf het moment dat het volk in het door God beloofde land aankwam (Lev. 25) en sabbatjaren en jubeljaren tel je dus niet vanaf het begin van de schepping. Ook de komst van de Messias wordt niet aangegeven als in het zoveelste jaar na de schepping, maar `vanaf de tijd dat het woord uitgaat om terug te laten keren om Jeruzalem te herbouwen tot op Messias, de Vorst, verstrijken er zeven en tweeënzestig weken.´ (Dan.9:25). Dus ook als de ballingschap voorbij is begint God weer op nieuw te tellen. Het oude is voorbij, God vergeet en geeft een nieuwe kans. Zand erover. Begin maar aan een nieuw begin, begin maar opnieuw te tellen, Ik zal aan het oude niet meer denken.

Als Yeshua/Jezus gezegt heeft dat de Vader dag en uur van Zijn wederkomst aan Zich heeft gehouden en zelfs de engelen het niet weten en dus de wederkerende Messias het zelf ook niet weet, waarom proberen wij dan allerlei zaken met betrekking tot en romdom zijn wederkomst te berekenen. Het is een typische uiting van Grieks denken.

Yeshua-Jezus roept op om waakzaam te zijn, dus aandachtig te verwachten tot het uit de onbekende toekomst vóór je verschijnt en dat wat vóór je ligt beoordelen of het behoort tot de tekenen die daar bij horen. Zoals er van te voren tekenen waren geven waaraan men de komst van de Messias kon herkennen (uit Bethlehem, uit Juda, nageslacht van David enz.), zo heeft Hij ook tekenen gegeven waaraan wij de tijd van Zijn wederkomst kunnen toetsen: de mensen zullen zijn als in de tijd van Noach, er zullen geruchten van oorlogen zijn, het vertrappen van Jeruzalem door de heidenen zal voorbij zijn en ten slotte zal de zon verduisteren, de maan bloedrood zijn en de sterren hun glans in trekken. Er zal dus een algehele verduistering in het hele heelal zijn net zoals tussen het zesde en negende uur dat Yeshus- Jezus op het kruis hing. Willen we op een Hebreeuws denkende wijze naar de eindtijd kijken dan moeten we dus waakzaam zijn totdat deze dingen gebeuren, vóór ons komen te liggen en niet de toekomst voorspellen die op zijn Hebreeuws gedacht en gezegd nog achter ons ligt.

Nogmaals: dit artikel is niet bedoeld om de ene of de andere eindtijdleer gelijk of niet gelijk te geven, noch is het een uitnodiging om over verschillende eindtijdleren en hun verschillen te discussiëren. Dit artikel is alleen maar bedoeld om ons de vraag te stellen hoe Hebreeuws of hoe Grieks denken wij als wij over de eindtijd denken. Als dit artikel er toe heeft geleid dat je jezelf deze vraag stelt, dan heeft dit artikel bereikt waartoe het geschreven en bedoeld is.

Voor alle duidelijkheid: we hebben hier over Joods Bijbels Hebreeuws denken en na duidzenden jaren diapora waar de Joden onder de heidenen hebben geleefd hoef je niet verbaasd te zijn als je een hedendaagse Jood tegenkomt die Grieks denkt.

 

 

Drs. Charles van den Berg

Logos Bijbelstudies

Email: logosbijbelstudies@outlook.com

2015 Alle rechten voorbehouden

Het is toegestaan dit artikel verder te delen,

mits ongewijzigd en met vermelding van de auteursrechtelijke bron.

Je kunt op bovenstaand emailadres ook een exemplaar aanvragen om

verder te delen.